Berekeningen van de anciënniteit: ontwikkelingen van het begrip “dezelfde werkgever”

In een vonnis van 24 januari 2017 heeft de Arbeidsrechtbank Antwerpen (afdeling Mechelen) enkele zaken verduidelijkt omtrent wat onder het begrip dezelfde werkgever moet worden begrepen in het geval van een overname van een bepaalde activiteit.

De feiten kunnen samengevat worden als volgt:

Mevrouw A trad in dienst van de BVBA B in 1978. Ze werd tewerkgesteld in een decoratiewinkel. Daarnaast bezat de BVBA B ook een textielwinkel. De BVBA B was een familiezaak en op een bepaald moment werden de winkels opgesplitst: één winkel ging naar de zoon en de andere naar zijn zus, dewelke met De heer C was gehuwd. De heer C richtte de BVBA D op die de uitbating van de decoratiewinkel overnam vanaf 1 januari 2005 (stock, machines, stalen, goodwil cliënteel en inrichting). Op 30 december 2004 werd in wederzijds akkoord een einde gesteld aan de arbeidsovereenkomst tussen Mevrouw A en de BVBA B. Op 1 januari 2005 tekenden de BVBA D en Mevrouw A een nieuwe arbeidsovereenkomst. Mevrouw A bleef op dezelfde werkplek dezelfde functie uitvoeren.

Vonnis:

Dit vonnis vat enkele belangrijke principes samen betreffende het begrip “dezelfde werkgever” bij de berekening van anciënniteit van een werknemer:

  • Het begrip dezelfde werkgever doelt op de economische exploitatie-eenheid die de onderneming is, zonder dat de juridische vorm of het bestuur en eventuele wijzingen daarvan van invloed zijn. Het begrip ‘dezelfde werkgever’ blijft bestaan wanneer de onderneming van directie is veranderd en zijn dezelfde economische bestemming behoudt. Er is sprake van economische eenheid van exploitatie van zodra de economische doelstellingen van de ondernemingen waartussen een bepaalde rechtsband bestaat, geheel of gedeeltelijke gelijk, gelijkaardig of complementair zijn;
  • Juridisch onderscheiden, maar met elkaar gelieerde vennootschappen kunnen samen eenzelfde economische exploitatie-eenheid vormen, zodat de opeenvolgende tewerkstelling van de werknemer door deze met elkaar gelieerde vennootschappen, moet worden beschouwd als een ononderbroken dienstperiode bij dezelfde werkgever. In andere woorden, ondanks verschillende activiteiten kunnen juridisch onderscheiden ondernemingen worden beschouwd als dezelfde werkgever, wanneer zij tot dezelfde economische ondernemingsgroep behoren, dezelfde sociale cohesie vertonen en dezelfde economische doelstellingen nastreven;
  • Dat er tussen twee vennootschappen geen rechtstreekse juridische band zou bestaan, is niet van tel. Bijgevolg is het mogelijk dat er anciënniteit wordt in acht genomen die is opgebouwd bij verschillende juridische entiteiten, waartussen geen rechtsband bestaat, mits de ene juridische entiteit de economische doelstellingen en activiteiten van de andere juridische entiteit voorzet. De integrale bedrijfsactiviteit dient niet te worden overgenomen: het volstaat dat de economische bestemming van de onderneming dezelfde blijft en dat beide ondernemingen een soortgelijke bedrijvigheid hebben;
  • De loop van de anciënniteit wordt enkel stopgezet door een reële onderbreking van de arbeidsprestaties en niet slechts door een louter juridische onderbreking, die de anciënniteit niet beïnvloedt.

Bron: Arbrb. Antwerpen (afd. Mechelen), 24 januari 2017, AR nr. 12/1786/A.