Het niet-betalen van een koffiekoek en twee rozijnenbroodjes (1,79 euro) kan een ontslag om dringende reden rechtvaardigen

In deze zaak werd een werkneemster van een grootwarenhuisketen ontslagen om dringende reden omdat ze bij de prikklok werd aangetroffen met een koffiekoek en twee rozijnenbroodjes die zij niet betaald had vóór het verlaten van de verkoopruimte.

De werkneemster betwistte het ontslag en riep in dat de eventuele tekortkomingen onvoldoende ernstig waren en dat de verdere samenwerking hierdoor niet verhinderd werd.

De eerste rechter verklaarde de vordering van de werkneemster gegrond en veroordeelde de werkgever tot de betaling van een opzeggingsvergoeding.

In beroep oordeelde het arbeidshof dat het feit dat de werkneemster buiten de verkoopruimte werd aangetroffen in het bezit van de niet-betaalde goederen ongetwijfeld van aard was om de verdere samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk te maken.

Bij de beoordeling van de dringende reden kan namelijk geen rekening worden gehouden met het feit dat de waarde van de goederen die de werkneemster niet betaalde, zeer klein was (1,79 euro).

Het enige door de wet vooropgestelde criterium om te beoordelen of de door de ontslaggevende partij ingeroepen feiten al dan niet een dringende reden vormen, is of deze feiten de professionele samenwerking tussen werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maken. Dat er een wanverhouding zou bestaan tussen de fout van de werknemer en het feit dat hij door deze fout zijn betrekking verliest, kan niet in aanmerking worden genomen om te oordelen of de werknemer al dan niet terecht om dringende reden wordt ontslagen.

Het ontslag om dringende reden werd dan ook geldig bevonden.

Bron: Arbeidshof te Brussel, 10 februari 2017, AR: 2015/AB/839