De activiteiten van de onderneming – niet die van één werknemer – bepalen de bevoegdheid van de paritaire commissie.

In een arrest van 24 mei 2016 herinnert het Arbeidshof van Bergen (Mons) aan de basisbeginselen om te bepalen tot welk paritair comité een onderneming behoort.

In de onderliggende zaak meende een werknemer dat hij, vanwege zijn taken (toezicht houden op een werf), recht had op een vergoeding in overeenstemming met de sectorbarema’s die werden vastgelegd door het paritair comité bevoegd voor deze specifieke activiteiten (PC 200 als aanvullend paritair comité voor de bedienden, dan wel PC 124 voor het bouwbedrijf). De onderneming waarbij de werknemer was tewerkgesteld, specialiseerde zich echter in de handel in bouwmaterialen en betegeling en behoorde derhalve tot paritair comité 201 voor de zelfstandige kleinhandel.

Gezien de werknemer achterstallig loon vorderde overeenkomstig de sectorbarema’s van een ander paritair comité, zag het arbeidshof zich genoodzaakt de basisprincipes betreffende de bevoegdheid van paritaire comités te herhalen.

Deze kunnen als volgt worden samengevat:

  • Het toebehoren aan een paritair comité wordt in principe bepaald door de voornaamste activiteit (of hoofdactiviteit) van de onderneming;
  • De voornaamste activiteit is de activiteit waar hetzij de meeste werknemers of het grootste aantal arbeidsuren aan besteed worden, hetzij de activiteit die de bestaansreden van de onderneming vormt;
  • Een onderneming behoort in principe tot slechts één paritair comité;
  • Indien er een accessoire activiteit bestaat, volgt deze de regels van het paritair comité van de voornaamste activiteit.

Een uitzondering hierop is het geval waar de activiteiten geen enkel verband houden met elkaar. Dan kan er afgeweken worden van dit principe van één enkel paritair comité. Bovendien moeten de activiteiten in dat geval in principe verricht worden “in afzonderlijke en van elkaar verwijderde lokalen” en dient het personeel exclusief ingedeeld te zijn bij één type activiteit.

Zoals uit deze principes blijkt, is het dus niet de aard van het werk van één werknemer die bepaalt welk paritair comité bevoegd is, maar enkel de (voornaamste) activiteit van de onderneming.

In casu oordeelde het Arbeidshof dan ook dat de werknemer geen recht had op achterstallig loon. De barema’s waarop deze laatste zich beriep, golden immers in een ander paritair comité en hoewel de werknemer taken uitvoerde die verschilden van de hoofdactiviteit in dit paritair comité, leidde dit er niet toe dat het paritair comité waartoe de werkgever behoorde, gewijzigd moest worden. De activiteiten van de werknemer waren immers beperkt in de tijd (3 of 4 maanden) en onvoldoende uitgebreid om te spreken van een hoofdactiviteit (die het paritair comité kon wijzigen).

Bron: Arbh. Bergen 24 mei 2016, AR 2015/AM/171, http://www.juridat.be