Herinnering aan de principes van de (on)eerlijke concurrentie

Recent velde de Voorzitter van het Arbeidshof van Brussel een interessant arrest in Kort geding dat ons enkele principes inzake (on)eerlijke concurrentie in herinnering brengt.

Na 25 jaar tewerkstelling en verschillende functies binnen het bedrijf, werd een werknemer ontslagen met een opzeggingstermijn. Gedurende die opzeggingstermijn was de werknemer gedurende een maand ziek en werd hij dan ook vervangen door een andere werknemer. Bij zijn terugkomst stelde de ontslagen werknemer echter vast dat zijn functie volledig overgenomen was en dat er hem ook looncomponenten en voordelen ontnomen waren. Bijgevolg stelde de werknemer bij aangetekend schrijven een impliciet ontslag vast.

Een maand later richtte de ontslagen werknemer een onderneming op waarvan de activiteiten deels overlappen met de activiteiten van de (voormalige) werkgever.

De (voormalige) werkgever zag dat als een vorm van oneerlijke concurrentie omdat de werknemer volgens haar onder meer klanten overnam, gelijkaardige commerciële documenten gebruikte en bovendien ook personeel zou afwerven.

De Voorzitter van het Arbeidshof oordeelde echter dat het hier niet om oneerlijke concurrentie ging, maar in tegendeel net om toegelaten, eerlijke, concurrentie.

In dit Arrest herinnert de Voorzitter ons eraan dat het eenvoudig afwerven van cliënteel op zich een volkomen toegelaten vorm van concurrentie is. Het is pas wanneer er bij die afwerving bijzondere “onrechtmatige begeleidende omstandigheden zijn, zoals het stichten van verwarring en misleiding” dat er sprake kan zijn van oneerlijke concurrentie. Indien de werkgever dit laatste niet aantoont, kan er dan ook geen sprake zijn van oneerlijke concurrentie.

De Voorzitter trekt deze redenering ook door tot de afwerving van personeel. Hierover stelt hij:

Het benaderen van cliënteel van een concurrerende onderneming behoort immers tot het wezen zelf van de concurrentie. Het benaderen van cliënteel wordt enkel ongeoorloofd, indien er onrechtmatige begeleidende omstandigheden zijn, zoals het stichten van verwarring en misleiding.”

Het afwerven van één personeelslid zonder bewijs van enige onrechtmatige begeleidende omstandigheid, werd dan ook niet erkend als oneerlijke concurrentie.

Tenslotte oordeelt de rechter ook dat het feit dat de werknemer gelijkaardige documenten gebruikt niet aantoont dat er een reële verwarringsmogelijkheid bestaat. Dit werd verantwoord geacht aangezien de werknemer gewoon was om deze (gratis) software te gebruiken en aangezien er op latere documenten ook een duidelijke naam en logo was aangebracht.

Tot zover deze korte opfrissing van de principes inzake (on)eerlijke concurrentie.

Bron: Arbeidshof Brussel, 3 juni 2016, AR. 2016/CB/5, http://www.juridat.be